Heb uw naasten op de kerkbank lief, ook de onaangekondig¬den...
"Opus Dei vierendertig, vers vijf" De stem van de dominee galmde door het kerkschip. De hele gemeente stond op en het orgel zette in. Even later was de gehele ruimte gevuld met de heili¬ge klanken van het godsvruchtig publiek. Marja overzag het geheel. Ze voelde geen aversie tegen deze mensen; integen-deel ze had er medelijden mee. Tenslotte konden zij er ook niets aan doen. Natuurlijk geloofde ook zij in een hogere macht. Maar of die op een dergelijke wijze ¬moest worden ver-eerd, dat vond ze wel wat teveel van het Goede. Maar goed, ze kwam maar eens in het half jaar bij haar ouders en die wilden graag dat hun dochter met ze meeging. Dus stond Marja tussen haar vader en moeder. Beide ouwetjes keken af en toe gelukza-lig naar hun dochter terwijl ze hun kelen droogbulderden. Dit psalm kende Marja niet, dus play¬backte ze voor de vorm mee. Haar ouders zouden het haar niet kwalijk nemen. Zover had ze hen al weten te krij¬gen. Met haar mond heen en weer bewegend, keek ze zo onopge¬merkt moge¬lijk om zich heen. Aan de andere kant van het kerkpad, zag ze een jonge vrouw. Het was duide-lijk dat ook zij het niet geheel naar haar zin had, want ook zij keek wat in het rond. Toen ontmoetten hun blikken elkaar. Snel keek Marja weer vooruit, maar ze voelde de ogen van het knappe meisje in de zijkant van haar lichaam prikken. Lang¬zaam draaide ze haar hoofd weer in die richting. Marja keek weer recht in de ondeugende kijkers van het knappe ding. "Hoe oud zou ze zijn, ongeveer mijn leeftijd lijkt me", bedacht ze zich. "Mhm, ze is vrese¬lijk uitdagend".