Textverhaal van 8 pagina's.
De keizer lag loom op zijn ligstoel, met in zijn ene hand een gouden kelk gevuld met zoete wijn, en in de andere een trosje druiven dat hem zojuist door een slaaf was aangereikt. De slaaf was er alleen om na een vingerwijzing van de keizer zijn kelk te vullen of hem wat gekoelde vruchten te geven. Een andere slaaf had als enige taak met een grote waaier koelte toe te wuiven naar het luie lichaam van de keizer. Geen verbijsterende bezigheid, maar zo was het leven destijds van de meesten. Beide slaven mochten zich nog gelukkig prijzen zich in de directe nabijheid van de keizer te verblijven, de goddelijke Pletargo, heersers over de toenmalige bekende wereld. badend in de weelde die daarvan het gevolg was. "Laat ze maar binnenkomen", sprak de empereur met een stem waarin slechts met moeite de verwachting doorklonk.